Gemengde gevoelens bij uitspraak EU Hof van Justitie Luxemburg

26 februari, 2016

Gemengde gevoelens bij uitspraak EU Hof van Justitie Luxemburg

Gemengde gevoelens Watersportverbond bij uitspraak EU Hof van Justitie Luxemburg: Nederlandse regeling BTW-vrijstelling watersportverenigingen in strijd met Europese Richtlijn.

Het Europese Hof heeft de Europese Commissie in het gelijk gesteld en heeft daarmee de Nederlandse overheid op de vingers getikt omtrent de BTW-regeling voor watersportverenigingen. De Europese Commissie vond dat de Nederlandse overheid de BTW-regeling niet geheel op een juiste wijze toepast en dat de Nederlandse regeling BTW-vrijstelling voor watersportverenigingen in strijd is met de Europese richtlijn. Het Watersportverbond heeft gemengde gevoelens bij deze uitspraak.

Sportverenigingen, niet winst beogende instellingen die als doel hebben de beoefening van sport of de bevordering daarvan, zijn voor hun prestaties vrijgesteld van BTW. Voor de watersportverenigingen kennen we in Nederland echter een speciale regeling. De BTW-vrijstelling geldt dan kort gezegd ook voor werkzaamheden aan vaartuigen en de verhuur van ligplaatsen, indien de vereniging geen personeel (havenmeester) in dienst heeft.
De Europese Commissie (het dagelijks bestuur van de EU) heeft in een zogeheten inbreukprocedure Nederland voor het EU Hof van Justitie gedaagd omdat zij van oordeel was dat de Nederlands BTW-regeling voor Watersportvereniging in strijd is met de BTW-Richtlijn. Klachten van Nederlandse commerciële jachthavens vormden hiertoe de aanleiding.  Het EU Hof van Justitie heeft in haar uitspraak van 25 februari 2016 de Europese Commissie in het gelijk gesteld.

Enerzijds te ruim en anderzijds te strikt
De Europese Commissie was van mening dat de Nederlandse BTW-regeling voor Watersportvereniging enerzijds te ruim en anderzijds te strikt werd toegepast dan het EU-recht toelaat. De Nederlandse regeling is te strikt omdat watersportverenigingen ten onrechte jarenlang belasting hebben moeten betalen als ze een betaalde havenmeester in dienst hadden, dit terwijl het onderscheid wel of geen havenmeester in dienst nergens is geregeld in de BTW-Richtlijn. De Nederlandse regeling is te ruim, omdat de verhuur van ligplaatsen aan leden die in het geheel niet sporten ook is vrijgesteld, terwijl voor de verhuur van ligplaatsen aan deze leden wel BTW betaald had moeten worden.

Gemengde gevoelens
Maurice Leeser, directeur Watersportverbond: ‘De uitspraak van het Europees Hof wekt bij het Watersportverbond gemengde gevoelens op. Natuurlijk zullen we aankaarten dat de ten onrechte betaalde BTW desgevraagd geretourneerd wordt aan watersportverenigingen. Het overige deel van de uitspraak van het Europees Hof baart het Watersportverbond grote zorgen. Dit omdat watersportverenigingen mogelijk op termijn verplicht worden de verhuur van een ligplaats aan leden die ‘recreatief’ varen met BTW te belasten”.

Het Watersportverbond voorziet dan ook dat watersportverenigingen door een opheffing/aanpassing van de BTW-regeling voor aanzienlijk extra kosten en administratieve verplichtingen komen te staan. Dit is in haar ogen in een tijd waarin financiën een steeds nadrukkelijker aandachtspunt is voor watersportverenigingen, een onverkwikkelijke zaak. Deze kostenstijging zal ongetwijfeld effect sorteren op de hoogte van de contributie. 

Toegankelijk voor iedereen
Maurice Leeser, directeur Watersportverbond: ‘’De BTW vrijstelling voor sportverengingen is in het leven geroepen om sport (financieel) toegankelijk te maken en houden voor brede lagen van de bevolking. Dit loffelijke streven wordt met een nieuwe regeling geweld aan gedaan. Watersport wordt aldus minder toegankelijk, iets waarvoor wij als bond altijd tegen hebben gestreden. ’’Het Watersportverbond zal zowel het Ministerie van Financiën als NOC*NSF nogmaals attenderen dat alle watersportverenigingen aangesloten bij het Watersportverbond daadwerkelijk sport bedrijven.

Deze watersportverenigingen zijn via het Watersportverbond, lid van de sportkoepel NOC*NSF, erkend als sportvereniging.’’ Daarnaast is het Watersportverbond van mening dat In Nederland een lig- of bergplaats onontbeerlijk is voor het beoefenen van de watersport, net zo noodzakelijk als een buiten- en of binnensportvereniging moet beschikken over een accommodatie en materiaalopslag.

Nadelig voor de watersportbranche
Direct na lezing van de uitspraak heeft het Watersportverbond dan ook contact gezocht met het Ministerie van Financiën en NOC*NSF. Volgens Leeser zou de uitspraak van het EU-Hof grote gevolgen kunnen hebben voor de gehele (water)sportwereld. Immers vele sportbonden kennen geen onderscheid tussen sportief en recreatief gebruik van sportmiddelen en accommodaties binnen hun tak van sport. Ook in de watersport is het gecompliceerd een onderscheid te maken tussen sportief en recreatief gebruik van vaartuigen. De effecten van een aanpassing van de BTW-regeling is dan ook mogelijk nadelig voor de watersportbranche, daar waar in gezamenlijkheid juist door alle watersportorganisaties in Nederland hard gewerkt wordt om zoveel mogelijk Nederlanders enthousiast te maken voor de watersport. Dit streven zal door een aanpassing van de BTW regeling wellicht voor een groot deel teniet worden gedaan. En dat kan en mag niet de bedoeling zijn”, vindt Leeser.

Background